Foto: Cor Jaring

Kees Hoekert is een legendarische figuur die aan de basis staat van de indertijd tolerante houding ten opzichte van Nederwiet. Hij staat ook aan de basis van een reeks hilarische gebeurtenissen die begonnen met hennepplantjes en eindigden met Indonesische wiet. 

In 1969 richtte Kees Hoekert samen met zijn vriend Robbert Jasper Grootveld, de Lowlands Weed Company op. Robbert Jasper genoot grote bekendheid in Nederland en daarbuiten als de grote anti-rookmagïer en hield elke zaterdag op het Amsterdamse Leidseplein een happening waar honderden en later duizenden mensen, politie en pers op afkwamen. Het was de tijd van de provocatie van het gezag, een tijd waarin de provo’s er alles aan deden om de doorgeschoten autoriteiten tot overmatig machtsmisbruik te provoceren en hen zo te kijk te zetten tegenover het gewone volk. Krenten uitdelen aan voorbijgangers op straat was zo’n provocatie. Politie begreep daar niets van en wist maar een ding te
zeggen: “ophouden met die ongein en wegwezen”! Natuurlijk riepen de provo’s dan dat ze niets fout deden en gingen gewoon door met krenten uitdelen. Gevolg een rel, vechtpartijen tussen politie, provo’s, en voorbijgangers. De telegraaf sprak er dan schande van en de volgende zaterdag kwamen er nog méér mensen kijken op het Spui. Kees en Robbert Jasper bedachten de ultieme provocatie, ze kochten een kilo legaal hennepzaad dat in dieren winkels verkocht werd als zangzaad en maakten op het dak van Kees zijn boot duizenden wietplantjes die ze voor een gulden per stuk verkochten. Het motto was: “Hasj en wiet zijn niet te verbieden, iedereen kan het zelf kweken en justitie zet zichzelf voor gek als ze achter kleine plantjes gaat aanjagen”.
Kees

Kees Hoekert laat al jaren zien dat iedereen overal zijn eigen wiet kan verbouwen zelfs in een oude schoen, óók in 2001
Ook hier zorgden de media er weer voor dat de zaak van de grond kwam. Amsterdam werd door Robbert Jasper uitgeroepen tot het magisch centrum van de wereld, een voorbeeld van ruimdenkendheid en een sociaal model voor de toekomst. Journalisten uit de hele wereld kwamen naar Nederland en zorgden ervoor dat ons land wereldwijd een reputatie kreeg een tolerant wietland te zijn. Deze golf van publiciteit was het begin van een eindeloze stroom toeristen die voortduurt tot op de dag van vandaag. De Magic bus kwam in het hoogseizoen twee keer per dag langs bij Kees. De toeristen kregen dan op de boot een kopje wiet thee en een toespraak van Kees of Robbert Jasper; “Hasj en wiet kun je niet verbieden want iedereen kan zomaar zelf een paar plantjes telen en je gaat toch geen onkruid verbieden?”

Nou kwamen er in de loop de jaren ook veel mensen op Kees af die gewoon vette wiet wilden kopen. Daar had Kees een oplossing voor. Even verderop woonde een rare Amerikaan op een woonboot, genaamd Fat Mickey. Mickey was meer dan gezet, homo, blowde als een schoorsteen en was gek op jonge jongetjes. Wat was er nou voor Kees eenvoudiger als die wietklantjes naar Mickey door te sturen? Maar dan moest er ook goede wiet verkocht worden hé? Nu had Kees gehoord dat er aan de weesperzijde 53 in Amsterdam iets nieuws aan de gang was. Theehuis Mellow Yellow was een coffeeshop waar je heel goede Indonesische wiet kon kopen, dus zocht Kees contact met de eigenaar en dat was ik. 

Mellow Yellow, de eerste Coffeeshop in Amsterdam verkocht Hasj en héél veel Indonesische wiet

Kees en ik konden het goed met elkaar vinden, ik was vereerd dat ik de Lowlands Weed Company mocht bevoorraden en ging dus wekelijks bij Kees op bezoek om wat kilootjes te bezorgen.  Mellow Yellow (1973-1978) was de eerste coffeeshop in Amsterdam. In die tijd rookten de mensen in Nederland alleen hasj. Wiet was iets voor Amerikanen en Surinamers. Je kon maar beter geen wiet verkopen, want daar kwamen Surinamers op af en dus óók politie werd ons in het oor gefluisterd. Ik vond wiet veel lekkerder dan die wat slome hasj, Surinamers waren ook mensen en de Mellow verkocht dus naast de hasj ook Kongo, Thai en vooral Indonesische wiet. De Indonesische kostte indertijd f1000,- – f1500,- per kilo, je kreeg met moeite en veel geprop 10 gram in een zakje. De klanten waren blij met het bomvolle zakje en ik maakte een grotere winst als met hasj. Klanten stroomden
toe, soms stond de rij voor de dealer tot op de stoep. Surinamers en andere gasten kochten 10-20 zakjes tegelijk voor het thuisfront, kortom de wiet was niet aan te slepen.

De dealer in de Mellow zat aan het eind van de bar en was herkenbaar aan de grote leren tas gevuld met verschillende soorten Hasj en Wiet

De aanvoer van de Indonesische was onregelmatig, elke 6-8 weken, het was dus de kunst om altijd voldoende in voorraad te hebben. De meest eenvoudige manier was om grote hoeveelheden tegelijk in te kopen, je kreeg dan ook die lage prijs van f1000,- de kilo. Ik kocht dus telkens 100 kilo, verkocht een deel door en reserveerde de rest voor de Mellow. Voor het doorverkopen had ik speciaal een vriendje in dienst. Ik regelde de zaken over de telefoon en hij reed de wiet.
Nu neemt wiet nogal veel plaats in dus opslag was voortdurend een groot probleem. In de Amsterdamse van Ostadestraat had ik een onderstukje met eigen inrit gehuurd voor de opslag van al die wiet. In het onderstukje plaatsten we een grote stalen kist met vette sloten om snelle diefstal door een toevallige inbreker te voorkomen. Bij de eerstvolgende partij Indonesische werd de kist gevuld met de bedoeling daar telkens kleine hoeveelheden uit te halen voor de verkoop, het zou echter héél anders lopen!
Al bij de eerste keer dat we wiet wilden ophalen uit de nieuwe stash liep het fout. We kwamen aan met de auto en wilden via de inrit het onderstukje in rijden om ongezien wat te kunnen inladen. Bleek er een auto op onze inrit te staan, complet met een grote Surinamer die op zijn gemakje zijn auto stond te wassen. Op ons vriendelijk verzoek of hij dat elders wilde doen omdat wij in ons onderstukje wilden binnen rijden antwoordde hij negatief want: “ ik woon
hierboven en ik weet wat jullie daar binnen willen doen, heeft vast iets met wiet te maken” De man kende ons blijkbaar!
Natuurlijk ontkenden we alles en eisten dat hij plaats maakte. Van het een kwam het ander, het werd schreeuwen, duwen en trekken tot de Surinamer een enorm mes trok en op me af kwam. Ik zette het op een lopen achtervolgd door de Surinaamse bovenbuurman en rende een willekeurige auto showroom binnen. De verkoper stond net een auto aan te prijzen en bleef met zijn klanten stokstijf staan terwijl ik een rondje door zijn zaak rende achtervolgd door de Surinaamse messentrekker. Help, help, riep ik, maar dat waren de autoverkoper en zijn klanten niet van plan. “Bel de politie”, riep ik nog en rende de deur uit achtervolgd door onze Surinaamse vriend. Gelukkig had ik een betere conditie, kon hem van mij af schudden en bleef op de hoek van de straat op veilige afstand staan kijken. Daar zag ik dat na een kwartiertje een politie autootje de straat inkwam scheuren en met piepende remmend bij de Surinamer stopte die inmiddels weer doodleuk verder was gegaan met zijn auto te wassen op onze inrit. Ik liep op de agenten af en vertelde mijn verhaal, ik was de huurder en wij wilden mijn onderstukje in met een auto. De Surinamer verdedigde zich door te zeggen dat hij alleen maar zijn auto eventjes wilde wassen en dat ik vast wiet in het onderstukje had liggen. De agenten hoorden het hele verhaal rustig aan en gelasten de man onze inrit vrij te maken. “Dat U denkt dat er wiet ligt opgeslagen doet er nu niet toe meneer, U blokkeert andermans inrit ten onrechte en dient Uw auto dus onmiddellijk weg te halen! De Surinamer was verbijsterd over zoveel Amsterdamse logica, haalde zijn auto weg en trok zich mopperend terug in zijn woning boven het onderstukje, waar hij ons broeierig vanachter de ramen ging zitten aanstaren terwijl hij een verdacht uitziend sigaretje rookte. Ik bedankte de agenten, we reden triomfantelijk het onderstukje binnen en er ook maar weer snel uit zonder wiet want echt safe voelde het natuurlijk niet meer.
Wat nu, ieder uur dat onze wiet daar lag nam het risico toe dat onze Surinaamse buurman “bezoek” regelde. Dat kon justitie zijn maar ook een paar “vriendjes”. De wiet die er lag moest zo snel mogelijk weg en ongezien ook!
We konden niet op ons gemak binnen rijden en inladen want dan was de kans op een “heterdaadje” wel erg groot. Na lang nadenken en veel teveel dikke vette joints bedachten we een plan, het moest een “hit and run” actie worden, zo snel uitgevoerd dat er geen tijd overbleef voor wie dan ook om te reageren. Twee van ons die niet bij de buurman bekend waren zouden eerst lopend ongezien het onderstukje binnen zien te komen. De taak van de verkenners was om de wiet voor transport klaar te maken, eerst in extra plastic zakken en daarna in grote jute postzakken. De zakken dienden dan vlak achter het rolluik te worden klaargezet. Ik zou dan met een gehuurd busje en twee assistenten de straat binnen rijden, midden op straat stoppen, we zouden de deuren van het busje en het onderstukje open gooien, met vier man heen en weer hollend de postzakken inladen en snel weg rijden.
Maar ja de wet van murphy leert dat als er één ding fout gaan dat er een soort ketting reactie van foute gebeurtenissen ontstaat, ineens gaan er van allerlei dingen fout. De verkenners gingen vooruit en op de afgesproken tijd scheurde ik met het huur busje de van Ostadestraat in. Aan het eind van de straat, een paar honderd meter na de kruising met een zijstraatje was nét brand uitgebroken. Er stonden brandweerwagens en politieauto’s met zwaailichten en er klonken sirenes. Mensen stonden op de stoep en bijna iedereen, inclusief onze Surinaamse bovenbuurman hing uit de ramen te kijken naar het spektakel. We hadden in die tijd nog geen mobiele telefoons dus de verkenners hadden ons niet kunnen waarschuwen. Niets aan te doen, stay cool, ik stopte voor het onderstukje, de deuren van het busje en het onderstukje vlogen open en onze mensen begonnen heen en weer te rennen met grote postzakken die in de bus werden geworpen. Ik hoorde de Surinaamse bovenbuurman roepen; “ het is echt waar, mensen, mensen. Kijk daar, wiet, wiet, allemaal wiet! De mensen in de straat lachten terug ja, ja, brand, brand, dat heet brand, mooi hé? In seconden was het voorbij, de bus was vol, de helpers stapten in en ik scheurde weg, sloeg bij de kruising links af en reed een van tevoren bedachte route zigzaggend door de straten van Amsterdam naar waar een tweede huurauto geparkeerd stond met een grote kofferbak. Hierin werden de postzakken gepropt en ik reed er mee weg. De bus werd terug gebracht en we gingen eerst lekker eten met zijn allen.

We huurden een Volvo 240 met een héél grote kofferbak.

Daarna moest er natuurlijk nog het een en ander gerookt worden zodat het gebeurde dat ik ’s-avonds laat pas de stad uit reed. Nou was het plan om de wiet
voor een paar dagen te stallen bij mijn toenmalige schoonvader die in Bilthoven woonde. Ik wilde niet al te laat aankomen bij mijn schoonouders en reed dus stevig door.

 

Zo kwam het dat ik met veel te hoge snelheid rond 12 uur ’s-nachts langs paleis Soestdijk scheurde en gelijk een politie auto voor mijn neus kreeg die me dwong te stoppen in het gras voor de paleistuin. “Rijbewijs!” Nou dat had ik sinds enige jaren zonder rijden nu wél en gaf het document aan de agent die er mee naar zijn auto liep en in een microfoontje begon te praten .” Papieren van deze auto!” vroeg de ander. Ai, dat was minder, want hoe ik ook zocht, die had ik niet. Niet bij me en ook niet in het handschoenen kastje. “Niet mee gekregen agent, sorry” probeerde ik, “hebben ze zeker niet aan gedacht”.
“Nou, doet U de kofferbak maar open, misschien liggen de papieren daar wel, aan een kettinkje of zo?” dramde de agent door. Nou werd het link, ik begon te sputteren, “ik huur wel vaker auto’s bij dat bedrijf, maar de papieren liggen nóóit never niet in de kofferbak hoor” en perste er een lachje uit alsof ik het een goede grap vond, maar verroerde me verder niet. Toen kwam de andere agent haastig op ons toelopen met mijn rijbewijs in de hand. Hij overlegde halverwege met zijn collega in het schijnsel van mijn koplampen waarop de twee weer naar mij toe kwamen lopen. Ik dacht: “ this is it”, tijdens het contact met hun bureau heeft de naam Bruining allerlei bellen doen rinkelen! Zo ziet dat er dus uit als ze je gaan arresteren. Een agent hield zijn hand al op de holster, de ander boog zich naar voren, “alstublieft meneer Bruining, U kunt gaan. Goede reis verder meneer Bruining”! De agent met de hand op de holster gebaarde mij dat er geen verkeer aankwam en dat ik veilig de weg op kon. In mijn haast weg te komen reed ik de tweede agent nog bijna ondersteboven! Nu werd ik pas echt paranoia, een ding was duidelijk, ik moest nu niet naar mijn schoonouders gaan want misschien lieten de agenten me wel gaan om te zien waar ik uiteindelijk naar toe ging?
Dus via een hoop omwegen naar Utrecht gereden, de auto in een rustige straat geparkeerd en een telefooncel opgezocht. Mijn vriendje in Amsterdam gebeld die mij rond een uur of twee drie ’s-nachts oppikte. Ik heb die auto daar een paar dagen laten staan en toen er verder niets gebeurde alsnog opgehaald. Ik had inmiddels een nieuwe stash geregeld in de kelderbox van een groot flatgebouw, waar de wiet werd gestald. Maar nog was de wet van Murphy niet ten einde, er rustte wat dat betreft een vloek op die partij wiet. De eerstvolgende keer dat ik Kees Hoekert wat Indonesische kwam brengen ging het weer fout.
Ik had net afgeleverd bij Kees, niets aan de hand, gezellig praatje met Kees, jointje erbij, geld ontvangen zonder na te tellen en zat in mijn auto klaar om weg te rijden toen ik Mickey de boot van Kees zag verlaten. In zijn hand een mij bekend Albert Heijn tasje waar de contouren van het kilootje Indonesische duidelijk in te onderscheiden waren. Mickey liep opgewekt over de stoep op weg naar zijn eigen boot, zwaaiend met zijn tasje als een dikke kabouter. “Hee, wat leuk, dacht ik nog, net als in de film, daar gaat de dealer op weg om al die mensen gelukkig te maken”, toen er een politiebusje op hem neerdook, twee agenten sprongen eruit, spraken Mickey aan, sleepten hem het busje weer in en
scheurden weg. De hele arrestatie was secondewerk. De volgende dag belde Kees voor nóg maar een kilootje, ik ging weer bij Kees langs, jointje, praatje, geld en Mickey ging weer fluitend op weg naar zijn werk. Die desbetreffende partij Indonesische was trouwens van slechte kwaliteit, veel zaad en takken. Na schoonmaken heb ik ruim 50 kilo bij het vuilnis gezet. Blij dat ik van die troep af was, trouwens, de volgende boot kwam er al weer aan!

Heb je op of aanmerkingen schrijf dan naar: wernard@xs4all.nl

Tiel, 22 December 2008